The Present Simple

Media Banner Media Banner

The Present Simple

Tegenwoordige tijd in het Engels.

De Present Simple is een van de belangrijkste tijden in het Engels. Deze tijd lijkt eenvoudig, maar juist daarom is het belangrijk om hem zorgvuldig en correct te gebruiken. Let vooral op de derde persoon enkelvoud: he, she en it.

1. Wanneer gebruik je de Present Simple?

De Present Simple gebruik je wanneer je spreekt over gewoontes, feiten, regelmaat, algemene waarheden en dingen die meestal of altijd zo zijn.

Gewoontes

I walk to school every morning.

Ik loop elke ochtend naar school.

Feiten

Water boils at 100 degrees Celsius.

Water kookt bij 100 graden Celsius.

Regelmaat

They visit their grandmother on Sundays.

Zij bezoeken hun oma op zondag.

Algemene waarheid

The sun rises in the east.

De zon komt op in het oosten.

2. De gewone zin

In een gewone bevestigende zin gebruik je meestal het hele werkwoord zonder to. Maar bij he, she en it komt er meestal een -s achter het werkwoord.

Persoon Werkwoord: to play Voorbeeld
I play I play tennis.
You play You play tennis.
He / She / It plays She plays tennis.
We play We play tennis.
They play They play tennis.
Onthoud: bij he, she, it krijgt het werkwoord meestal een -s. Een keurige Engelse zin vergeet die -s niet.

3. Spelling bij he, she en it

Soms voeg je niet alleen een -s toe, maar verandert de spelling een beetje. Dat gebeurt vooral bij werkwoorden die eindigen op bepaalde letters.

Regel Voorbeeld Zin
Meestal voeg je -s toe. read → reads He reads the newspaper.
Na -ch, -sh, -s, -x, -o voeg je -es toe. watch → watches She watches television.
Medeklinker + y: verander y in ies. study → studies He studies English.
Klinker + y: gewoon -s. play → plays She plays the piano.

4. Ontkennende zinnen

Voor een ontkenning gebruik je do not of does not. In spreektaal en in gewone teksten zie je vaak de korte vormen: don’t en doesn’t.

I do not like cold tea. → I don’t like cold tea.

They do not live in London. → They don’t live in London.

She does not play football. → She doesn’t play football.

Let goed op: na doesn’t gebruik je het gewone werkwoord. Dus niet: She doesn’t plays, maar: She doesn’t play.

5. Vragen maken

Bij vragen zet je do of does vóór het onderwerp. Ook hier geldt: bij he, she, it gebruik je does, en het hoofdwerkwoord blijft gewoon.

Soort vraag Voorbeeld Antwoord
Met do Do you like music? Yes, I do. / No, I don’t.
Met does Does he work here? Yes, he does. / No, he doesn’t.
Vraagwoord + do Where do they live? They live in Utrecht.
Vraagwoord + does What does she read? She reads old novels.

6. Signaalwoorden

Sommige woorden laten vaak zien dat je de Present Simple nodig hebt. Men noemt ze ook wel signaalwoorden.

Always

She always drinks tea in the morning.

Usually

We usually eat dinner at six.

Often

He often reads before bed.

Sometimes

They sometimes go to the cinema.

Never

I never drink coffee at night.

Every day

My father walks every day.

7. Veelgemaakte fouten

Fout 1: De -s vergeten

She walk to school.

She walks to school.

Fout 2: Does én -s tegelijk gebruiken

Does he likes football?

Does he like football?

Fout 3: Don’t gebruiken bij he, she of it

He don’t know the answer.

He doesn’t know the answer.

8. Samenvatting

De Present Simple gebruik je voor gewoontes, feiten en regelmatige gebeurtenissen. Bij he, she en it krijgt het werkwoord in bevestigende zinnen meestal een -s. Voor vragen en ontkenningen gebruik je do of does. Na does komt het gewone werkwoord terug.

Een goede leerling haast zich niet door de grammatica heen. Lees de zin hardop, zoek het onderwerp, en vraag uzelf af: is het he, she of it? Zo ja, let dan goed op.