The Past Continuous

Grammatica

The Past Continuous

1. Wanneer gebruik je de Past Continuous?

De Past Continuous gebruik je wanneer je spreekt over iets dat op een bepaald moment in het verleden aan de gang was. Je gebruikt deze tijd vaak voor acties die bezig waren toen er iets anders gebeurde, of voor situaties die tijdelijk bezig waren in het verleden.

Toen bezig

I was doing my homework when you called.

Ik was mijn huiswerk aan het maken toen jij belde.

Op dat moment

She was reading a book at that moment.

Zij was op dat moment een boek aan het lezen.

Tijdelijke situatie in het verleden

We were staying with our grandparents last week.

Wij logeerden vorige week bij onze grootouders.

Rond die periode

They were learning English last year.

Zij waren vorig jaar Engels aan het leren.

2. De gewone zin

In een gewone bevestigende zin gebruik je eerst een vorm van to be in de verleden tijd: was of were. Daarna komt het werkwoord met -ing.

Persoon Vorm van to be Voorbeeld
I was playing I was playing tennis.
You were playing You were playing tennis.
He / She / It was playing She was playing tennis.
We were playing We were playing tennis.
They were playing They were playing tennis.
Onthoud: de Past Continuous heeft altijd twee delen: was / were en een werkwoord met -ing. Vergeet dus nooit de vorm van to be.

3. Spelling bij -ing

Meestal voeg je gewoon -ing toe aan het werkwoord. Soms verandert de spelling een beetje. Dat gebeurt vooral bij werkwoorden die eindigen op een stille e of bij korte werkwoorden met één klinker en één medeklinker aan het einde.

Regel Voorbeeld Zin
Meestal voeg je -ing toe. read → reading He was reading the newspaper.
Werkwoord eindigt op stille e: haal de e weg. make → making She was making tea.
Kort werkwoord met één klinker en één medeklinker: verdubbel de laatste letter. run → running He was running in the park.
Werkwoord eindigt op ie: verander ie in ying. lie → lying The cat was lying on the sofa.

4. Ontkennende zinnen

Voor een ontkenning zet je not achter de vorm van to be. In gewone taal gebruik je vaak de korte vormen: wasn’t en weren’t.

I was not watching television.

They were not listening. → They weren’t listening.

She was not working yesterday. → She wasn’t working yesterday.

Let goed op: bij de Past Continuous gebruik je geen did not. Dus niet: She didn’t reading, maar: She wasn’t reading.

5. Vragen maken

Bij vragen zet je de vorm van to be vóór het onderwerp: was of were. Daarna komt het werkwoord met -ing.

Soort vraag Voorbeeld Antwoord
Met was Was I speaking too fast? Yes, you were. / No, you weren’t.
Met was Was he working there yesterday? Yes, he was. / No, he wasn’t.
Met were Were they playing outside? Yes, they were. / No, they weren’t.
Vraagwoord + to be What were you doing? I was writing an email.

6. Signaalwoorden

Sommige woorden laten vaak zien dat je de Past Continuous nodig hebt. Deze woorden wijzen meestal op iets dat op dat moment in het verleden bezig was.

When

She was drinking tea when I arrived.

At that moment

We were eating dinner at that moment.

While

He was reading while I was cooking.

Yesterday

They were working from home yesterday.

Last week

I was studying hard last week.

At 8 o’clock

The dog was sleeping at 8 o’clock.

7. Veelgemaakte fouten

She reading a book.

She was reading a book.

Did he working yesterday?

Was he working yesterday?

They were play outside.

They were playing outside.

8. Samenvatting

De Past Continuous gebruik je voor dingen die op een bepaald moment in het verleden bezig waren, tijdelijk gebeurden of rond die periode plaatsvonden. De vorm is altijd was / were + werkwoord + -ing. Voor ontkenningen zet je not achter was of were. Voor vragen zet je was of were vóór het onderwerp.