1. Wanneer gebruik je de Past Simple?
De Past Simple gebruik je wanneer je spreekt over iets dat in het verleden gebeurde en nu afgelopen is. Vaak staat er een tijdsbepaling bij, zoals yesterday, last week, in 2020 of two days ago.
Gisteren
I walked to school yesterday.
Ik liep gisteren naar school.
Vorige week
They visited their grandmother last week.
Zij bezochten vorige week hun oma.
Een jaar in het verleden
We lived in Utrecht in 2020.
Wij woonden in 2020 in Utrecht.
Een moment dat voorbij is
She finished her homework two hours ago.
Zij maakte haar huiswerk twee uur geleden af.
2. De gewone zin
In een gewone bevestigende zin gebruik je de verleden vorm van het werkwoord. Bij regelmatige werkwoorden voeg je meestal -ed toe. Bij onregelmatige werkwoorden moet je de vorm leren.
| Persoon | Werkwoord: to play | Voorbeeld |
|---|---|---|
| I | played | I played tennis yesterday. |
| You | played | You played tennis yesterday. |
| He / She / It | played | She played tennis yesterday. |
| We | played | We played tennis yesterday. |
| They | played | They played tennis yesterday. |
3. Spelling bij regelmatige werkwoorden
Bij regelmatige werkwoorden voeg je meestal -ed toe, maar soms verandert de spelling een beetje. Let goed op de laatste letters van het werkwoord.
| Regel | Voorbeeld | Zin |
|---|---|---|
| Meestal voeg je -ed toe. | walk → walked | He walked to school yesterday. |
| Werkwoorden die eindigen op -e: voeg alleen -d toe. | live → lived | She lived in London. |
| Medeklinker + y: verander y in ied. | study → studied | He studied English last night. |
| Klinker + y: gewoon -ed. | play → played | They played football yesterday. |
4. Onregelmatige werkwoorden
Sommige werkwoorden krijgen geen -ed. Deze werkwoorden hebben een eigen vorm in de verleden tijd. Die vormen moet je leren en vaak herhalen.
| Hele werkwoord | Past Simple | Voorbeeldzin |
|---|---|---|
| go | went | We went to the cinema last night. |
| see | saw | I saw my friend yesterday. |
| eat | ate | He ate breakfast at eight. |
| drink | drank | She drank tea this morning. |
| do | did | They did their homework. |
5. Ontkennende zinnen
Voor een ontkenning gebruik je did not. In spreektaal en in gewone teksten zie je vaak de korte vorm: didn’t.
I did not like the film. → I didn’t like the film.
They did not live in London. → They didn’t live in London.
She did not play football. → She didn’t play football.
6. Vragen maken
Bij vragen in de Past Simple zet je did vóór het onderwerp. Het hoofdwerkwoord gaat daarna terug naar de gewone vorm.
| Soort vraag | Voorbeeld | Antwoord |
|---|---|---|
| Met did | Did you like the film? | Yes, I did. / No, I didn’t. |
| Met did | Did he work here? | Yes, he did. / No, he didn’t. |
| Vraagwoord + did | Where did they live? | They lived in Utrecht. |
| Vraagwoord + did | What did she read? | She read an old novel. |
7. Signaalwoorden
Sommige woorden laten vaak zien dat je de Past Simple nodig hebt. Men noemt ze ook wel signaalwoorden.
Yesterday
She drank tea yesterday.
Last week
We visited London last week.
Last year
He lived in Spain last year.
Ago
They left two hours ago.
In 2020
I started school in 2020.
This morning
My father walked this morning.
8. Veelgemaakte fouten
Did she played tennis?
Did she play tennis?
He didn’t went to school.
He didn’t go to school.
She goed home yesterday.
She went home yesterday.
9. Samenvatting
De Past Simple gebruik je voor gebeurtenissen die in het verleden gebeurden en nu afgelopen zijn. Bij regelmatige werkwoorden voeg je meestal -ed toe. Onregelmatige werkwoorden hebben een aparte vorm, zoals went, saw en drank. Voor vragen en ontkenningen gebruik je did of didn’t. Na did en didn’t komt het gewone werkwoord terug.